De visie van bioboer Johan d’Hulster op duurzame landbouw. Een bespreking van een overvloedig essay.

Vorig jaar in juni kwam ik op een boerderij in Schriek. Het was een heerlijk stralende lentedag. In een grote schuur zaten een 30 tal jonge mensen aandachtig te luisteren naar Geert, de coördinator van Landwijzer, het vormingscentrum dat opleidingen organiseert voor biologische landbouwers. De plaats was niet toevallig gekozen. We bevonden ons op de boerderij de Akelei van Johan D’Hulster en Greet Lambrecht. Zij startten deze boerderij in 1982 en waren daarmee een van de pioniers van de biologische landbouw in Vlaanderen.  Aan Johan d’Hulster was gevraagd om kort te omschrijven aan welke kwaliteiten een bioboer moet voldoen. Hij vertelde dat hij die middag op zijn tractor daar over had nagedacht. Hij vatte het samen in vier kernbegrippen: strijdlust, liefde voor de natuur, veerkracht en 100% goesting om te boeren. Deze kwieke man vertelde met pretoogjes hoe zijn hart bonst om 5u30 bij het ochtendgloren en hij vol plezier op zijn veld de verse spinazie kan gaan plukken. Als inspiratie kan dit wel tellen, en tegelijk werden de aspirant landbouwers gewaarschuwd, als je wil boeren, leg dan alles wat je bent in je stiel. Johan d’Hulster heeft bovendien de laatste jaren ervaring opgedaan in India, waar hij betrokken is in een project om landbouw te revitaliseren in Khajuraho. Johan is bezorgd over de toekomst van de landbouw en schreef een publicatie over de voorwaarden van vitale duurzame landbouw. Hieronder volgt mijn bespreking van dit essay, wat me helpt om beter te begrijpen wat duurzame landbouw is.

voorblad

Johan d’Hulster vertrekt vanuit de vaststelling dat de moderne ontwikkelingen in de landbouw massale voedselproductie hebben mogelijk gemaakt. Maar tegelijk gaat de ‘leefbaarheid van het boerenbedrijf en van het platteland achteruit’ en gaat het dominante landbouwsysteem ten koste van ‘ecologische rijkdommen en de ziel van de landbouw zelf’.

Deze ervaren tuinder uit de streek van Mechelen betoogt dat productie van ons voedsel de basis vormt van onze beschaving. ‘De landbouwer heeft als essentiële taak om voldoende en veilig en vitaal voedsel te produceren, de landbouwer heeft tegelijk de taak om het natuurlijk potentieel te beheren.’ Onze voedselproductie is primordiaal en duurzame landbouw is de enige manier om een menswaardig bestaan te bieden aan de huidige en toekomstige generatie landbouwers en consumenten van voedsel. Als we deze stelling met Johan onderschrijven dan volgt de conclusie dat de samenleving moet investeren in haar basis en dus duurzame landbouw hoort te ondersteunen.

In dit essay heeft Johan d’Hulster de ambitie om bouwstenen aanbieden die kunnen helpen bij het ‘vernieuwen van landbouw met behoud van zijn basis’. Hij doet dit door de lezer te tonen wat de voorwaarden zijn van duurzame landbouw, vervolgens reikt hij de lezer een landbouwpraktijk aan die binnen die voorwaarden een duurzame praktijk tot stand brengt. In deze publicatie schetst biologische tuinder Johan d’Hulster zijn visie op het vraagstuk van de kennis en het perspectief die nodig zijn om de uitdagingen voor onze voedselproductie op een duurzame manier aan te pakken.

Voor Johan is een duurzame landbouw, een bezielde landbouw, die autonoom beheerd wordt door landbouwers die inzicht hebben en zorg dragen voor de ecologische samenhang op de landbouwbedrijven.

The circle of life. Divers en kwetsbaar.

Er bestaat een complexe ecologische samenhang tussen de planten en de bodem, tussen de bodem en het water en tussen de lucht die stikstof en koolstof levert aan de planten. In het essay bespreekt Johan de kringlopen in een duurzame landbouw en de synergieën die er tussen deze elementen in een veerkrachtig ecosysteem kunnen ontstaan. Maar helaas is het huidige landbouw ecosysteem op bepaalde vlakken ernstig verstoord. Een dramatisch voorbeeld van de verstorende functie van een ontwrichting in de kringloop is het ontsnappen van CO2 door het ploegen. De bodem heeft de capaciteit om CO2 op te slaan, maar indien er te diep geploegd wordt ontsnapt deze CO2 massaal naar de atmosfeer. Hierdoor wordt er bijgedragen aan de klimaatsverandering wat weer een impact zal hebben op de bodem. Een landbouwtechniek die de productiviteit op korte termijn verhoogt, in deze ploegen, kan zo op lange termijn de productiviteit van het bredere landbouwsysteem ondermijnen. Hieruit volgt dat minimale grondbewerking meer duurzaam is dan diep ploegen.

Johan geeft een pak voorbeelden die aantonen hoe een inzicht in de ecologische samenhang in het landbouwecosysteem duidelijk kan maken welke landbouwpraktijken duurzamer zijn. In deze bespreking geef ik nog één voorbeeld. Het gebruik van fungiciden kan een verstoring van het ecologische evenwicht met zich mee brengen met een lokale negatieve impact op de landbouwproductie als gevolg. Een vruchtbare bodem bevat de nodige voedingsstoffen voor planten, maar bevat tegelijk bacteriën, organismen en schimmels die de planten helpen zich te ontwikkelen. De mychorizaschimmel leeft bijvoorbeeld in symbiose met het wortelstelsel van de plant. Door het gebruik van fungiciden kunnen deze nuttige schimmels vernietigd worden, waardoor de plant verzwakt. Een landbouwpraktijk die het schimmelleven voldoende levenskansen biedt en een evenwicht laat ontstaan tussen agonistische en antagonistische schimmels is een meer duurzame landbouwpraktijk, dan een praktijk die het schimmelleven vernietigt door het gebruik van fungiciden.

De landbouwer die duurzaam wil opereren heeft inzicht nodig in vruchtbare kringlopen en heeft nood aan kennis over de geschikte landbouwtechnieken om een goede opbrengst te kunnen verzekeren. Als onderliggende voorwaarde om duurzaam aan landbouw te kunnen doen, voelt de landbouwer zich sterk verbonden met de elementen waar hij in werkt.

Hoe komen we te weten wat goede landbouw is?

Een van de kernthema’s van dit essay is precies de kennis die duurzame landbouw nodig heeft. Johan d’Hulster is erg kritisch voor de manier waarop moderne technologieën worden toegepast, maar toch gelooft hij dat inzichten uit de moderne wetenschap mee een duurzame landbouwpraktijk kan helpen ontwikkelen. In het essay voert Johan een pleidooi om deze moderne inzichten te enten op het erfgoed aan kennis dat de mens heeft opgebouwd sinds het begin van de landbouw. Er is een schat aan kennis opgebouwd door mens, sinds er bij het ontstaan van de beschaving geëxperimenteerd werd met landbouw. Maar wanneer er over landbouw gesproken wordt, lijkt het soms alsof de enige echte relevante kennis voor de boeren in de meest geavanceerde labo’s wordt ontwikkeld. Deze moderne kennis wordt dan ‘wetenschappelijk’ genoemd. Tegelijk wordt er nogal meewarig of vaak zelf volstrekt denigrerend gedaan over de kennis die eeuwen lang werd ontwikkeld en doorgegeven van generatie op generatie. Johan betoogt dat duurzame ecologische landbouw deze kennis uit het verleden moet waarderen en verrijken met moderne inzichten.

‘Conservation agriculture’ een voorbeeld voor de toekomst.

Johan ziet in de ‘conservation agriculture’ een ‘landbouwmodel dat ernaar streeft om rendabele landbouwproductie hand in hand te doen gaan met ecologische duurzaamheid’. Dit concept is een voorbeeld van het ‘vruchtbare samengaan van wetenschappelijk gegronde landbouwpraktijken en eeuwenoude, traditionele landbouwmethoden’

Deze ecologische duurzame vorm van landbouw werkt volgens een 3 tal principes:

1. minimale verstoring van de grondlagen

2. permanente bodembedekking met organisch materiaal en

3. uitgekiende vruchtwisseling met veel gebruik van stikstof fixerende planten.

Door deze principes toe te passen kan de landbouwer een productieve landbouw ontwikkelen die de lokale hulpbronnen zoals bodem en water versterkt en niet uitput. Tegelijk geeft deze techniek de landbouwer een grotere autonomie, omdat hij niet afhankelijk is van externe hulpmiddelen zoals hybride zaden die enkel kunnen bloeien met kunstmeststoffen en/of pesticiden.

Vrijheid autonomie en de identiteit van de boer, nood aan diversiteit

Johan beschrijft hoe de de landbouwer een sterke drang heeft naar autonomie en hoe hij in vrijheid zijn activiteit wil kunnen ontplooien. ‘Het is niet onbelangrijk om er aan te herinneren dat de landbouwer zijn leven ontplooit en vervult op haar of zijn boerderij.’ Een boerderij die steeds verbonden is aan een plaats, met een geschiedenis en een sociaal-ecologisch netwerk. In het landbouwbedrijf kan de landbouwer zich ontplooien en vorm geven. Daarom bepleit Johan een landbouw die divers is, waarbij er niet enkel gestandaardiseerde technieken, zaden of machines gebruikt worden. Tegelijk denkt Johan dat de technologie die gebruikt wordt beheersbaar moet blijven voor de landbouwer, de technologie mag de landbouwer niet gaan beheersen. Omdat het landbouwbedrijf het leven van de landbouwer mee vorm geeft en de uitdrukking vormt van zijn persoonlijke ontwikkeling is een creatieve landbouwpraktijk zo belangrijk. Indien de landbouwer gedwongen wordt om enkel uniforme landbouwpraktijken te gebruiken, wordt de individualiteit van de landbouwer voor een stuk versmacht.

GGO’s, wat denkt Johan er over?

Als het gaat over technologische toepassingen in de landbouw, gaat het onvermijdelijk ook over genetische manipulatie. Deze biologische boer neemt duidelijke standpunten in over genetische manipulatie, waarbij hij zijn ethische ondergrens duidelijk probeert te verwoorden. Ook over zaadveredeling en de autonomie van de boer formuleert hij duidelijke argumenten. Je hoeft het niet eens te zijn met zijn uitgangspunt maar het interessante aan deze publicatie is dat hij zijn principes duidelijk expliciteert. Op deze manier kun je een echt gesprek aangaan over de keuze van de uitgangspunten.

Op zoek naar vruchtbaarheid in de verloren tuinen van Khajuraho

Het essay sluit af met een interessante casestudie over zijn ervaringen in India. Via de Belgische tak van de INTACH (Indian National Trust for Art and Cultural Heritage) reist deze tuinder uit Schriek sinds enkele jaren naar India om bij te dragen aan een ontwikkelingsproject in ‘De verloren tuinen van Khajuraho’. ‘Khajuraho is een stad die de ‘allermooiste tempels van India’ huisvest. Deze unieke plek is zo’n duizend jaar geleden ontstaan onder de Chandeladysnastie. In 1998 nam het INTACH initiatief om een uitgebreide studie te maken over de hele Khajurho-regio: Conservation and Sustainable Development Strategy for the Khajuraho Heritage Region. Deze holisitische studie onderzocht hoe de huidige gemeenschap in de omliggende regio, zich duurzaam en toekomstgericht zou kunnen ontwikkelen vanuit het rijke erfgoed van het verleden. Tijdens de studie werd ontdekt dat er zich vroeger een complex van bloeiende vruchtbare groente – en fruittuinen bevond rond Rajnagar. De Belgische poot van Intach heeft zich mee ingezet om de historiek dit prachtige maar verwaarloosde erfgoed te restaureren.

Johan beschrijft hoe hij betrokken werd in dit project en hoe hij met zijn jarenlange ervaring als groenteteler mee probeert te helpen om de landbouwpraktijk in dit gebied te helpen ontwikkelen. Hij kwam tot de conclusie dat bij de lokale boeren veel van de oude kennis verloren is gegaan, waardoor de tuinen er vaak uitgemergeld bij liggen en de landbouwstreek sterk verarmd is. Johan probeerde om de kennis terug op te bouwen met de boeren en hun elementair gereedschap te leren maken en gebruiken. De paradox is dat vele van de duurzame landbouwtechnieken zoals compostering in Europa bekend werden via India, maar in sommige van de regio’s verloren zijn gegaan. Tegelijk beschrijft hij hoe hij kennis heeft gemaakt met boerengemeenschappen in de regio die eeuwenoude kennis levendig houden in een duurzame landbouwpraktijk. Hij ontdekte een plattelandscultuur die zich voedt met teksten uit de Veda’s, sommige duizenden jaar oud, die een schat aan landbouwwijsheid bevatten. ‘Deze teksten beschrijven het belang van de koe, vee management, de rol van bomen in het landschap waterbeheer, en gelukkige dieren en landbouwers’. Johan beschrijft zijn verwondering wanneer hij vaststelt hoe er een ecologisch evenwicht bestaat vanuit een diep respect voor al wat leeft. ‘Bodem, planten, dieren, mensen, bomen, bos, omgeving, voedsel, water: alles heeft er zijn functie en plaats in een welbepaalde, zinvolle ordening en harmonie. Alles is er aanwezig en verbonden met elkaar. Iedereen zorgt voor alles en iedereen en elk heeft zijn taak.’

Met deze casestudie kan Johan zijn lezer inspireren om verder na te denken over de vraag wat de toekomst van ons verwacht.

Enkele bedenkingen 

Uit heel de publicatie spreekt een grote betrokkenheid, kennis, ervaring en een drive om mee te bouwen aan een duurzame landbouw. Toch enkele bedenkingen.

Johan start met de lezer te confronteren met de vraag ‘kunnen we het eens worden over de volgende uitgangspunten’? op deze manier wordt je als lezer uitgenodigd, of zelf gedwongen om na te denken over een aantal analyses die Johan maakt.

Hoe komen we tot een eerlijke prijs voor ons voedsel?

Johan opent met de stelling dat landbouw de basis is van de maatschappij. Hieruit volgt volgens Johan dat de samenleving voldoende sociaaleconomische waardering moet geven aan de landbouwer. Maar hoe deze sociaaleconomische waardering moet gebeuren blijft onbeantwoord. Is het de taak van de overheid om minimumprijzen vast te leggen? Of is het aan de consument om een meerprijs te geven voor duurzame landbouwproducten. Indien conserverende landbouw een goed voorbeeld is van duurzame landbouw, hoe komt het dan dat het niet meer wijdverspreid wordt toegepast? Is het lagere rendement een obstakel voor de landbouwer die een te laag inkomen verwerft? Is er de eis van de afzetmarkt voor uniforme producten waaraan de conserverende landbouw niet kan voldoen? Is het gebrek aan kennis? Is het een institutionele lock-in die kan verklaren waarom het gebruik van pesticiden, en kunstmeststoffen zo algemeen ingang vond? Of vinden de landbouwers, de overheid dat deze landbouwpraktijken, met het respecteren van bepaalde normen, best wel aanvaardbaar zijn voor mens en milieu en duurzaam kunnen zijn op lange termijn?

Duurzame Landbouw versus industrie. Twee gescheiden werelden?

De publicatie draait eerder om een tweede en derde stelling die Johan d’Hulster aankaart landbouw versus industrie en duurzame landbouw.

In zijn tweede stelling schetst hij een (te) scherpe tegenstelling tussen landbouw en industrie:

‘Landbouw is een toevoegende, volvoerende economie. Ze neemt, maakt, gebruik en brengt terug.’

‘Terwijl industrie een extractieve uitputtende bedrijvigheid. Ze neemt gebruikt en dankt af.’

‘Deze industriële principes werden in de landbouw geïmplementeerd onder de vorm van standaardisatie, dode minerale bemesting en inzet van chemie, wat veelal levensvernietigend en ontwrichtend is geweest (p. 8)

Door industrie per definitie gelijk te stellen met uitputting en vernietiging is de ruimte voor nuance en inzicht direct heel nauw geworden. Door deze tegenstelling is duurzaamheid enkel mogelijk binnen de landbouw maar niet binnen de nijverheid. Door deze generalisatie ontstaat een afkeer van alles wat industrieel is.

Industrie kunnen we meer neutraal definiëren als een economische activiteit die grondstoffen verwerkt tot producten, nijverheid zeg maar. Industrie gaat vooral over nijverheid die vaak op grotere schaal plaatsvindt, typisch in fabrieken.

Om kritisch te staan ten opzichte van het industrieel apparaat lijkt het me wenselijk om een enigszins ‘neutrale’ definitie te hanteren die gebaseerd is op een beschrijvende analyse. Op deze manier kun je met iets meer afstand en waarschijnlijk met meer helderheid de zwaktes en de bedreigingen identificeren, en ook de sterke kanten en de opportuniteiten zien.

Het is onmiskenbaar zo dat veel van de industriële activiteit gebaseerd is op uitputting van grondstoffen met vernietigende gevolgen voor mens en het milieu. Maar niet elke economische activiteit hoeft per se vernietigend te zijn. We kunnen ons industriële activiteiten inbeelden die werken volgens het kringloop principe en hernieuwbare grondstoffen verwerken tot producten die op het einde van hun levenscyclus terug kunnen verwerkt worden tot nieuwe producten. De aluminium industrie hergebruikt bijvoorbeeld een groot deel van al hun uitgangsmateriaal. Wat niet weg neemt dat er nog veel werk voor de boeg is om de aluminium activiteit te verduurzamen. Door een te eenzijdige kritiek op industrie verdwijnt de ruimte om aan te duiden op welke manier de industrie duurzaam kan ontwikkelen, complementair aan een duurzame landbouw. De meer interessante vraag is dan op wat de voorwaarden zijn waaronder de industrie op een duurzame manier instrumenten kan leveren voor een duurzame landbouw.

Welke kennis kunnen we verwachten van de moderne wetenschap?

Doorheen het essay komt de ambivalentie van Johan ten opzichte van de ‘moderne wetenschap’ (achterdocht, negatieve appreciatie, negatieve analyse, misprijzen, )’de noden van de tijd vragen dat we verstandig gebruikmaken van wetenschappelijke en moderne inzichten, zelfs al hebben die veelal nefaste gevolgen gehad. Ook foute ervaringen kunnen omgebogen worden tot nuttige kennis voor nieuwe samenhangen’.

Enerzijds toont hij een grote appreciatie en nieuwsgierigheid voor nieuwe inzichten. Doorheen de publicatie verwijst hij verschillende malen naar inzichten uit recent landbouw technisch onderzoek

‘nieuwe wetenschap (onderzoek in de biofysica) leert ons dat iedere levende cel in een groeiproces informatie opslaat (….) Er zijn nieuwe wetenschappelijke methoden in ontwikkeling die dat in beeld kunnen brengen’ (p.10)

‘recent onderzoek in biologische teeltsystemen in Europa heeft aangetoond dat bacteriegehaltes in de bodem meestal hoog genoeg zijn. Er is echter vaak een groot gebrek aan schimmelleven, onder meer ten gevolge van intensieve grondbewerking en een tekort aan cellulose in de bemesting’ (p. 17) (zonder vermelding van de bron)

Maar tegelijk spreekt er een groot wantrouwen voor ‘wetenschap’.

‘onze cultuur gaat vaak geheel voorbij aan de moeizaam verworven kennis dat bacteriën levensverwekkers zijn. Veel wetenschapstakken, denk maar aan onze moderne geneeskunde, zien bacteriën als ziekteverwekkers en streven daarom naar maximale steriliteit’ (p. 17) Vanuit datzelfde denken worden landbouwgronden ontsmet, met inzet van zware chemie, om alle ‘leven’ te doden en steriel te kunnen telen.’

Het lijkt me dat Johan te snel bepaalde reductionistische strekkingen binnen wetenschap gelijkstelt met de hele tak. Hierdoor ontstaat een zeker onterecht misprijzen van moderne wetenschap. Maar een van de misverstanden die ontstaan is het containerbegrip ‘wetenschap’ dat verschillende methodes en zelf verschillende wereldbeelden ontsnapt. Het zou wenselijk zijn in dit essay over kennis in de landbouw, om te stipuleren wat onder ‘moderne wetenschap’ wordt verstaan.

Genetische manipulatie is verboden in de biologische landbouw. Maar waarom? 

Wanneer het gaat over de wenselijkheid van de technologie in de veredeling stelt Johan dat ‘de aard en de waardigheid van een plant’ ook benoemd moeten kunnen worden. Voor mij als lezer is het niet direct duidelijk wat hier mee bedoelt wordt in de context van veredeling. Immers, in veredeling wordt de ‘aard’ van de plant telkens aangepast door het kruisen met andere soorten. Hoe moeten we de ‘waardigheid van een plant’ begrijpen? Het lijkt me belangrijk om dit verder te expliciteren, anders kan een vage notie worden ingezet als een onbetwistbaar argument.

So before we say, that was all folks

In de inleiding herneemt Johan de Brundlandt definitie van duurzame ontwikkeling. Een formulering die op vrij algemene instemming kan rekenen. Maar de meningen zijn natuurlijk verdeeld over de vraag van wat een billijke invulling van de noden zijn van de huidige generatie. Over de vraag wat een duurzame consumptie op het bord van de consument qua volume of samenstelling zou inhouden spreekt Johan zich niet uit.  Ook komt het vraagstuk van de productiecapaciteit van de aarde, en vraagstukken zoals de duurzame hoeveelheid vleesconsumptie niet aan bod. In de publicatie belicht hij vooral één belangrijk aspect van de duurzame landbouw, namelijk de productiewijze.

Gegeven de ambitie van de publicatie, ‘bouwstenen aanbieden voor de toekomst van de landbouw’ zou het wenselijk zijn om ook in te gaan op het vraagstuk van de rechtvaardige prijs voor de landbouwproducten. Wie bepaalt hoeveel een eerlijke prijs is? Maar misschien is dat wat teveel gevraagd van een essay.

Tot slot

Met deze publicatie toont Johan d’Hulster hoe we in de landbouw (en ook daarbuiten) kennis kunnen opdoen uit tradities en cultureel erfgoed, hoe we onze dagelijkse praktijk kunnen verrijken door het contact met andere culturen. Deze publicatie verrijkt ook het begrip van ‘duurzame landbouw’.

Duurzame landbouw betekent met zorg omgaan met de hulpbronnen, inzicht verwerven in de ecologische samenhang van de voedselproductie, kennis opdoen over geschikte landbouwpraktijken om de bodemvruchtbaarheid op te bouwen. Duurzame landbouw betekent ook dat de landbouwer als mens zich verbonden voelt met zijn omgeving, met de bodem, de planten, de dieren, zijn cultuur en met creatieve inspiratie een visie op de toekomst ontwikkelt en dit stap voor stap waar maakt.

Maar hoe we deze duurzame landbouw nu in de toekomst nu kunnen waar maken, blijft een open vraag voor de lezer. Daarom leg ik mijn oor graag te luisteren bij uw ideeën. Ik vraag me af of u al heeft nagedacht over de stappen om tot duurzame landbouw te komen. Is het gevoel van de verbondenheid van de oorsprong van jouw voedsel belangrijk? Welke toekomstbeelden ziet u voor u?

Advertisements

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s